de kracht van meer taligheid - amazon web services › ... · 4 de kracht van meer taal meertalig...

of 40/40
De kracht van meertaligheid Wegens succes verlengd!

Post on 29-May-2020

4 views

Category:

Documents

0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

  • De kracht van meer taligheid

    Wegens succes verlengd!

  • colofonDe kracht van meertaligheid is een uitgave

    van FORUM, Instituut voor Multiculturele

    Vraagstukken

    Postbus 201, 3500 AE Utrecht

    Telefoon (030) 297 43 21

    Website www.forum.nl

    Coördinatie en samenstelling Meral Nijenhuis

    Eindredactie Frans van der Heijden Fotografie

    Mladen Pikulic Vormgeving FIZZ ondernemers in

    marketing & communicatie, Meppel Distributie

    FORUM

    FORUM is een onafhankelijk kennisinstituut op het

    terrein van multi culturele vraagstukken vanuit het

    perspectief van de democratische rechtstaat, sociale

    cohesie en gedeeld burgerschap. FORUM vergaart kennis

    op het brede terrein van integratie, stelt deze beschikbaar

    en zet de kennis om in praktisch toepasbare methoden

    en producten.

    Halfvol

    Lale Gül (15 jaar) is van Turkse origine en schrijft aan de School der Poëzie gedichten in verschillende talen. Dit gedicht is door Lale Gül voorgedragen bij het debat over meertaligheid dat FORUM, Instituut voor Multiculturele Vraagstukken organiseerde tijdens het Drongo-festival op 28 september 2013.

    We zeuren over regen en onweerMaar wij vergeten dat er na regenzonneschijn komtWe zeuren over een vertraagde metroMaar dat is eigenlijkmaar een paar keer per jaarWe zeuren over 6% werkloosheid in NederlandWevergeten dat het betekent dat 94% dus wel werk heeftMaar daar hoor jevreemd genoeg niemand over pratenWe zeuren over een te laag inkomen, namelijk maar enkele duizenden per maandWe zeuren omdat we naar school moeten gaanTerwijl er een ander huiltomdat ze niet naar school KAN gaan en omdat we vroeg op moeten staanTerwijl jij er voor kiest om laat naar bed te gaanWaarom kunnen we niet gewoon dankbaar zijn?Dat we een dak daarboven hebbenDat we ons brood kunnen verdienenEn schoon drinkwater hebben uit dekraanEn veel meer, in ons gevalKijk verder dan je neus lang is en zie de feiten: Het feit dat wij eten op ons bord hebben liggen en een dak boven je hoofdBetekent dat jij rijkerbent dan driekwart van je medemensenEn dat weten we heel goedEn toch zijn weniet tevredenHoe zou dat toch komen?Wat vreemd, dat arme mensen dankbaarder zijn dan rijkereEn dat rijkerealleen maar meer willenEn de arme allang blij is met brood enwaterMerkwaardig, vind ik datWaarom is het zo moeilijk voor ons om te zien dat het glas halfvol is en niet halfleeg? Of willen we dat niet zien? Waarom willen we denken alsof we het zo slecht hebben?

    Zal ik je eens wat vertellen, jij hebt het goed, heel goed zelfsGrandioosgoed, geweldig goed FANTASTISCH heb jij hetOf je dat accepteert of nietIk schaam me voortaan als ik klaag of zeurOmdat ik me heb verlost van denaïviteitProbeer het ook en zie het echte levenMisschien dat we dan een kleinbeetje dankbaar kunnen zijn

    Lale Gül

    De kracht van meer taalMeertaligheid is een blijvend en onontkoom-baar verschijnsel in ons onderwijs. Met de nieuwe immigratiestro-men, zoals uit Midden-

    en Oost-Europa, neemt dat aantal alleen maar toe. Helaas krijgt meertaligheid niet de aandacht die het verdient. Maar taalbe-leid zonder aandacht voor meertaligheid verlaagt de kansen in het onderwijs van kinderen met een niet-Nederlandse achter-grond. Scholen moeten hun taalonderwijs afstemmen op deze kinderen. Daarvoor is wetenschappelijk onderbouwde kennis nodig over de effectiviteit van interventies en methodieken. In dit eenmalige maga-zine staan inspirerende bijdragen van wetenschappers, mensen uit het onderwijs en ouders. Hiermee wil FORUM een aanzet geven voor de ontwikkeling van effectief taalonderwijs en betere onderwijskansen voor meertalige leerlingen.

    1De kracht van me

    er taal

    De kracht van meer taal

    Eénmaligmagazineover taal

    Magazine over meer taal en m

    eertal igheid op school en thui

    s

    De Tafel van 10 van

    het voorkomen van

    taalachterstand

    Geef kinderen de

    tijd voor de opbouw

    van hun ‘hardware’

    Misschien lezen die

    kinderen wel beter

    dan ik…

    We hebben eerst

    alle methodes

    aan de kant

    geschoven

    FOR12_1129_TDS_FORUM

    _44 pagg.indd 1

    09-07-12 15:55

  • 3De kracht van meer taal 3De kracht van meer taal 36

    29

    1412

    8

    Inhoud2 Halfvol (een gedicht)

    2 Colofon

    4 Een woord vooraf

    5 Taalschool ondersteunt ouders bij meertalige opvoeding

    7 Bij Lokomotywa gaat taal leren in sneltreinvaart

    8 Ik ben op zoek voor mijn sleutels

    10 Een generatie die vloeiend is in Nederlands en Chinees

    12 Luistertaal kan anderstalige kinderen helpen

    14 Kinderen die óók dialect spreken, hebben een voorsprong

    17 Welke talen worden er in Nederland gesproken?

    20 Goede taalontwikkeling cruciaal voor sociale participatie

    22 Ouders moeten investeren in taalvaardigheid van kinderen

    24 Je moét er als leerkracht iets van weten

    26 Meertaligheid – drie misverstanden en een praktisch advies

    28 Actie-reactie in een tweetalig gezin (Ghana-NL)

    29 Nederlands en Italiaans – met Engels als follow-up

    30 Leidt migratie tot ondergang van de moedertaal?

    32 Ook Arabisch – maar Nederlands is de basis

    33 Thuis vooral Urdu, buiten louter Nederlands

    34 Meer taal, meer kans – huisbezoek voor Antilliaanse peuters

    36 Taalcoaches in Rotterdam: Wij brengen meer dialoog in huis

    38 Wat zegt de wetgever over meertaligheid?

  • 4 De kracht van meer taal

    Meertalig opvoeden is meer dan een andere taal leren: het maakt deel uit van de opvoeding en zorgt ervoor dat kinderen een evenwichtige identiteitsontwikkeling doormaken. Ouders hechten veel waarde aan het overdragen van de eigen taal en cultuur aan hun kinderen. Helaas wordt dit nog steeds gezien als gebrek aan integratie. Het vasthouden aan de eigen taal betekent niet dat ouders het leren van het Nederlands onbe-langrijk vinden. Integendeel. Veel ouders zijn zich er zeer van bewust dat een goede beheersing van de Nederlandse taal een belangrijke voorwaarde is voor een succesvolle schoolcarrière en goede toekomstkansen van hun kinderen. Ouders dienen goed geïnformeerd te worden en zich gesteund te voelen, zo-dat zij een balans weten te creëren tussen de eigen taal en het Nederlands. Hier ligt een belangrijke taak voor beleidsmakers en professionals die zich bezighouden met de ontwikkeling en vorming van kinderen.

    Met dit magazine wil FORUM pleiten voor meer aandacht en waardering voor de diversiteit aan talen die Nederland rijk is. Daarnaast hopen we dat de artikelen in dit blad bijdragen aan een structurele visieontwikkeling en kennisuitwisseling over meertaligheid en meertalig opvoeden tussen beleidsmakers, professionals en ouders.

    Wij danken alle auteurs die een bijdrage aan dit magazine hebben geleverd en wensen u veel leesplezier toe.

    Meral Nijenhuis en Zeki ArslanFORUM – Instituut voor Multiculturele Vraagstukken

    Driekwart van de wereldbevolking is meertalig. Negen op de tien Europese burgers vinden het spreken van vreemde talen erg belangrijk en 98 procent vindt dat het beheersen van vreemde talen goed is voor de toekomst van hun kinderen. Dit blijkt uit een opiniepeiling onder 27.000 Europese bur-gers, uitgevoerd door Eurobarometer, over de houding ten opzichte van meertaligheid en het leren van vreemde talen.

    Van alle Nederlanders zegt driekwart minstens twee buiten-landse talen te kunnen spreken. In de vier grootste steden, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, gebruikt de helft van de kinderen dagelijks meer dan één taal.

    Eentaligheid is een uitzondering. Meertaligheid is de norm.

    Toch is meertaligheid omgeven met veel vooroordelen en mythen. Ondanks alle onderzoeken die telkens weer aanto-nen dat meertalige kinderen cognitief voordeel hebben bij hun beheersing van meerdere talen, wordt meertaligheid nog altijd (te) vaak geassocieerd met het oplopen van achterstand. Dit is met name het geval bij kinderen met een migranten-achtergrond. Hier zoekt men de oorzaak van hardnekkige onderwijsachterstanden in het vasthouden van de ouders aan de eigen taal. Om taalachterstanden te voorkomen, krijgen migrantenouders vaak het advies om thuis Nederlands met hun kinderen te spreken. Terwijl ouders die vaardiger zijn in hun eigen taal dan in het Nederlands, beter hun eigen taal kunnen blijven spreken, zo blijkt uit onderzoek. Door de moedertaal goed te leren, krijgen kinderen namelijk ook een goede basis mee voor het leren van het Nederlands.

    Een woord vooraf

    4 De kracht van meertaligheid4

  • 5De kracht van meertaligheid

    Zet taalscholen op in grote steden en regio’s verspreid over Nederland – het idee was van Zeki Arslan. Zo’n taalschool zou een buitenschoolse voorziening zijn, onder directe verant-woordelijkheid van en mede gefinancierd door de lokale over-heid. Een taalschool, is de gedachte, speelt in op de individu-ele behoeften van mensen aan onderwijs in hun moedertaal, maar staat ook open voor anderen die die taal willen leren. “Of het dialect van de regio waar ze wonen of geboren zijn”, voegt Arslan er nu aan toe. “De belangstelling daarvoor is ook sterk toegenomen in de afgelopen jaren.” De Onderwijsraad, een onafhankelijk adviescollege dat de regering en de Tweede Kamer op hoofdlijnen van beleid en wetgeving adviseert, nam het concept van FORUM over en werkte het in december 2001 uit in een eigen advies Samen naar de Taalschool.

    Houdbaarheidsdatum ruim overschredenHet was de tijd, herinnert de programmamanager van FORUM zich, dat er druk werd gepraat over de plaats van de eigen taal in het onderwijsachterstandenbeleid. De wet Onderwijs in Allochtone Levende Talen (OALT) was sinds 1998 van kracht, maar er was veel onduidelijkheid over de dubbele doelstelling ervan: verwerving van de moedertaal en/of taalondersteu-ning bij het aanleren van het Nederlands. De uitkomst van die discussie is inmiddels geschiedenis. De wet werd in 2004 afgeschaft. Met als gevolg dat ook het advies Samen naar de Taalschool in een bureaula belandde. De overheid zette vanaf die tijd eenzijdig in op het aanleren van Nederlands onder migranten. Arslan vindt het, twaalf jaar na dato, nog steeds hoogst spijtig dat het grondig doordachte advies van de Onderwijsraad nooit is uitgevoerd. “Met het opzetten van taalscholen hadden we in Nederland de omslag kunnen maken naar een zakelijker kijk op meertaligheid in het onderwijs. Op die manier hadden we zowel de leeropbrengsten omhoog kunnen brengen als gelijke kansen voor migrantenkinderen bewerkstelligen.” Het perspec-tief in Nederland is volgens hem al decennia lang hetzelfde: politici en beleidsmakers zien het vasthouden aan de moeder-taal vaak als een gebrek aan bereidheid van migranten om te integreren. Een ideologische benadering waarvan de houdbaar-heidsdatum volgens Arslan al geruime tijd is overschreden. De programmamanager meent dat meertaligheid juist een blijvend en onontkoombaar verschijnsel is in het onderwijs in ons land. “Terwijl Den Haag zich focust op de bestaande migrantengemeenschappen in Nederland, zullen door nieuwe migrantenstromen, zoals momenteel uit Oost-Europa maar

    ook kennismigranten, steeds meer kinderen met een meer-talige achtergrond aan ons onderwijs deelnemen.”

    Moderne vreemde talenIn zijn advies koppelde de Onderwijsraad taalondersteuning los van het OALT-onderwijs. De aandacht op basisscholen moest zich richten op het verwerven van Nederlands als twee-de taal (NT2). En er werd niet langer gesproken over OALT-onderwijs maar over onderwijs in Nieuwe Moderne Vreemde Talen (NMVT). Er werd bewust gekozen voor die term. Zo staat niet een specifieke bevolkingsgroep centraal maar de moderne vreemde taal. Volgens de Onderwijsraad kon dit type onder-wijs bovendien het beste vorm krijgen in een buitenschools aanbod: de taalschool. Dit aanbod zou zich, in de visie van de Onderwijsraad, moe-ten richten op alle leerlingen, ongeacht leeftijdscategorie en ongeacht of ze tot een bepaalde taalgroep behoren. Maar als er − bijvoorbeeld om financiële redenen − beperkingen nood-zakelijk waren, dan adviseerde de raad primair te kiezen voor leerlingen van de groepen vijf tot acht van het basisonderwijs. Verder was het aan de overheid om het aanbod van te onder-wijzen talen te bepalen − uitgezonderd Engels, Frans en Duits, de werktalen van de EU. Die prioriteitstalen zouden bijvoor-beeld een afspiegeling kunnen zijn van de taalachtergronden van de leerlingen in een betrokken stad of regio. Als daarin wijzigingen zouden optreden − op basis van de instroom van nieuwe groepen, zoals nu met de komst van EU-burgers uit Oost-Europa of specifieke groepen kenniswerkers − dan zou de prioriteitsstelling moeten worden herzien.

    Cultuurpolitiek belangVolgens de Onderwijsraad paste een taalschool bovendien in de decentralisering van het landelijke beleid, dat in het begin van deze eeuw werd ingezet: het concept maakt immers deel uit van het maatschappelijke dan wel cultuurpolitieke belang op lokaal niveau. Wat de financiering van de taalschool betreft, werden er parallellen getrokken met muziekscholen. Gemeen-ten zouden aan betrokkenen (ouders, taalgemeenschappen die hechten aan onderwijs in ´hun´ taal) een bijdrage in de kosten kunnen vragen. Dit bedrag, waarschuwde men in het advies, zou echter nooit zo hoog mogen worden dat het ouders ervan weerhield hun kinderen aan te melden.Het was de taak van de rijksoverheid, volgens de Onderwijs-raad, om opleidings- en certificeringsmaatregelen te treffen zodat taalscholen verspreid over het land vakbekwame leer-

    Het was Zeki Arslan, programmamanager bij FORUM, veel waard geweest als het advies Samen naar de

    Taalschool van de Onderwijsraad was opgevolgd. “Dan hadden we tien jaar geleden de noodzakelijke omslag

    kunnen maken naar een zakelijker kijk op meertaligheid in het onderwijs.”

    Pleidooi om idee opnieuw te agenderen

    Taalschool ondersteunt ouders bij meertalige opvoeding

  • 6 De kracht van meertaligheid

    het vasthouden aan de moedertaal.” Arslan ziet om zich heen dat migrantenouders het belangrijk vinden dat hun kinderen de Nederlandse taal goed leren. Het bevordert im-mers de kansen op een succesvolle toekomst in Nederland. Maar ze willen ook dat ze de taal van hun moeder land goed beheersen. “Doe deze ouders een handreiking voor een gebalanceerde meertalige opvoeding”, luidt zijn advies aan Den Haag. “De taalschool biedt die mogelijkheid.“

    Kansen op de wereldmarktDaar komt nog bij dat de toekomst van elk kind − autoch-toon en allochtoon − niet noodzakelijkerwijs in Nederland ligt. De erkenning daarvan valt af te lezen, benadrukt Zeki Arslan, aan de groeiende belangstelling in Nederland voor tweetalig onderwijs. Kinderen worden al op jonge leeftijd vertrouwd gemaakt met het Engels. Tegelijkertijd wordt, bijvoorbeeld, het belang van het Turks en het Arabisch totaal niet onderkend – terwijl dat toch de talen zijn van de twee grootste migrantengemeenschappen in Nederland. Beheersing daarvan is niet alleen voor het sociale verkeer belangrijk, maar ook steeds meer in economische zin. “Wie z’n moedertaal ook goed leert, vergroot z’n kansen op de mondiale arbeidsmarkt. In deze tijd van snelle globalise-ring maakt dat het mogelijk om voor werk ook over de Nederlandse grens te reiken.”

    Tekst: Froukje Santing

    krachten konden aanstellen. Elke gemeente zou voor de uitvoering een contactambtenaar kunnen aanwijzen. Ook zou de rijksoverheid, aldus het advies, een initiërende rol moeten spelen bij het ontwik-kelen van de leermiddelen voor de taalschool.

    Meertaligheid en identiteitZeki Arslan pleit ervoor dat de overheid, het onderwijsveld, maar ook politieke partijen en zelforganisaties het idee van de taalschool opnieuw op de agenda zetten. Kinderen moeten volgens hem in staat worden gesteld verbindingen te leggen tussen hun moedertaal en het Nederlands. Sociale en emotionele problemen bij kinderen worden veroorzaakt doordat grote groepen migrantenkinderen geen of weinig binding hebben met hun eigen moedertaal. Hier ligt een taak die het basisonderwijs onmogelijk alleen kan vervul-len. Grote steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht maar ook veel andere gemeenten in Nederland, kennen leerlingen met een breed palet aan taalgroepen. “Het zou scholen totaal overbelasten als ze op eigen kracht een aanbod aan iedere leerling moeten doen. Met het op-zetten van buitenschoolse taalscholen wordt dat probleem ondervangen.” Ook om andere dan zuiver taalkundige redenen wordt het tijd, meent Arslan, om het mono-taaldenkbeeld in Nederland te doorbreken. Er bestaat in zijn optiek ook een link tussen het vraagstuk van de meertaligheid en die van de identiteitsvorming. “Gebrek aan erkenning van en aandacht voor de moeder taal in het onderwijs, schept angst voor verlies van de eigen cultuur. En dat is onnodig. Elke migran-tenouder snapt dat het leren van het Nederlands een plicht is, maar daar staat in hun beleving wel een recht tegenover:

    Sociale en emotionele problemen bij kinderen worden veroorzaakt doordat grote groepen migrantenkinderen geen of weinig binding hebben met hun eigen moedertaal. Hier ligt een taak die het basisonderwijs onmogelijk alleen kan vervullen.

  • Vóór het interview laat Bozena Kopczynska, de voorzitter van Centrum Lokomotywa, de film ‘Mijn kind is meertalig’ zien. Die maakt duidelijk wat Lokomotywa doet om meertaligheid bij Poolse kinderen te stimuleren − en hoe men dat doet. Het enthousiasme van de docenten en de kinderen is voelbaar in de film. Dat maakt het ook heel begrijpelijk dat er wachtlijsten zijn voor deelname aan de activiteiten. De meertaligheid van de kinderen is indrukwekkend. Zo jong en dan al twee of drie talen vloeiend spreken en lezen: om jaloers op te zijn…Lokomotywa is een initiatief van Poolse ouders die graag wil-len dat hun kinderen een levendig contact met de Poolse taal en cultuur onderhouden. “Als kinderen zich bewust zijn van hun afkomst en identiteit, presteren en integreren ze beter in hun nieuwe land. Daar ben ik van overtuigd”, zegt Bozena Kopczynska. Overigens zijn het voornamelijk kinderen van hoogopgeleide Poolse ouders die de school bezoeken; kinde-ren van seizoenarbeiders of andere laagopgeleide Polen zijn er nauwelijks te vinden.

    Aantrekkelijke lessenDe leerlingen van Lokomotywa, die uit heel Amsterdam komen maar ook wel daarbuiten, krijgen les in het kindvriendelijke en rustig gelegen buurthuis de Boomspijker. De school werkt met drie leeftijdsgroepen, verdeeld over de categorie vijf tot en met elf jaar. De kinderen krijgen twee keer per maand 2,5 uur les, op de zaterdag. Volgens Bozena Kopczynska vinden de meeste kinderen het helemaal niet erg om op hun vrije zaterdag les te volgen. “Maar we doen er ook alles aan om de lessen aantrekke-

    lijk voor hen te maken. Zo geven acteurs soms een voorstelling op school, of er komt een muziekgroep optreden.” Elke groep krijgt les van twee juffen, een docente en een assis-tente. Beiden zijn academisch opgeleid en hebben een pedago-gische en taalkundige achtergrond. Zowel de docenten als de assistenten doen hun werk bij Lokomotywa als vrijwilligers. De juffen bereiden elke les zelf voor, er is geen speciaal program-ma. De kinderen leren de Poolse taal, aangevuld met aardrijks-kunde, cultuur en Poolse geschiedenis. Maar ook integratie en de (duizendjarige) historische band tussen Polen en Nederland staan op het programma.

    Grote woordenschatTijdens de lessen worden veel liedjes gezongen en spelletjes gedaan. Alles in het Pools, heel speels en met als doel de moedertaal, de taal van thuis, te versterken. Het Nederlands beheersen ze immers al vanuit de reguliere school.Meertaligheid is voor de vorming van de kinderen erg be-langrijk, vindt men bij Lokomotywa. “Kinderen die op jonge leeftijd een grote woordenschat ontwikkelen in hun moeder-taal, ontwikkelen een groot taalgevoel en leren moeiteloos een tweede of zelfs derde taal aan”, stelt Bozena Kopczynska. Ze vindt het jammer dat basisscholen in Nederland zo weinig aandacht besteden aan tweetaligheid en native speakers. “Nederland is zich onvoldoende bewust van de kracht van meertaligheid.”

    Tekst met medewerking van Judith Ferrier van FORUM

    Wie zijn eigen identiteit kent, wordt een sterker mens en kan beter presteren. Vanuit deze gedachte richtte een

    groepje Poolse ouders in 2011 Lokomotywa op: Pools Centrum voor Onderwijs en Cultuur. De naam is afgeleid

    van een gedicht van de Poolse poëet Tuwim. Het idee erachter is dat het woord lokomotywa (= locomotief) het

    leven van Poolse kinderen in Nederland symboliseert: ze zitten in een rijdende trein en hun leven gaat door.

    Bij Lokomotywa gaat taal leren in sneltreinvaart

    De kracht van meertaligheid 7

  • 8 De kracht van meertaligheid

    Weg is niet weg: een derde van de kinderen die met hun ouders naar het buitenland vertrekken, remigreert al binnen vijf jaar. Veel kinderen keren daarnaast terug om een vervolgopleiding te doen of hier te werken. Wereldwijd volgen meer dan 13.000 kinderen een vorm van Nederlands onderwijs in het buitenland. Zij doen dit vaak naast de internationale of lokale school waar ze overdag lessen volgen. Het primaire doel van het Nederlandse onderwijs is om leerlingen bij terugkeer naar Nederland goed in te laten stromen. Dat betekent dat het goed moet aansluiten op het taal- en cultuuronderwijsaanbod in Nederland. Daarom werken alle leerlingen in het primair onderwijs richting de Nederlandse kerndoelen. Leerlingen in het voortgezet onderwijs werken naar de einddoelen van een Nederlands of internationaal examen. Dat is een flinke uitdaging. Leerlingen op een Nederlandse Taal- en Cultuurschool (NTC) krijgen gemiddeld drie uur per week taalonderwijs. Ter vergelijking: in Nederland krijgen kinderen ten minste zeven uur per week taalonderwijs. Daarnaast worden in Nederland ook alle andere vakken, zoals rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis in het Nederlands gegeven. In het buitenland krijg je deze vakken in een andere taal. En verder is de hele omgeving – op straat, in de winkel, et cetera − in het buitenland niet-Nederlands. Kinderen in Nederland horen, lezen en spreken zowel op school als daarbuiten dus veel meer Nederlands dan kinderen in het buitenland. Dat deze kinderen het Nederlands op hetzelfde niveau beheersen als hun leeftijdgenoten in Nederland, is dus zeker geen vanzelfsprekendheid.

    Voordelen van meertaligheidDoor de wereldwijd toenemende migratie groeien steeds meer kinderen in een meertalige omgeving op. Dit stelt hoge eisen aan hun taalontwikkeling; om zowel op school als thuis goed te kun-

    nen functioneren, moeten ze meer talen beheersen. Dat is een van de redenen waarom het bijhouden van de moedertaal en onderwijs in deze taal zo belangrijk zijn. Meertalige kinderen kunnen goed op taal reflecteren. Ze beseffen eerder dat er een koppeling is tus-sen klanken en tekens, ze hebben inzicht in de woordstructuur en weten eerder dat er verschillende woorden bestaan voor hetzelfde onderwerp. Meertalige kinderen beschikken over meer (bewuste en onbewuste) kennis van een taal. Het leren van een derde taal gaat dan ook gemakkelijker.

    Vergelijking met fietsenNiet alleen jonge, maar ook oudere tweetaligen zijn cognitief flexibel. Zo is er bij hen een vertraagde ontwikkeling van Alzheimer. Meertaligen kunnen focussen op relevante taken en irrelevante informatie onderdrukken. Daarnaast zijn meertaligen zich beter bewust van de rijkdom aan culturele en linguïstische diversiteit van de samenleving. Het niveau waarop een kind de moedertaal beheerst, is een goede voorspeller voor hoe snel het een volgende taal leert. De eerste taal voorziet in een fundament voor het ontwikkelen van vaardigheid in andere talen. Het bevorderen van moedertaalonderwijs draagt dus niet alleen bij aan de ontwikkeling van de moedertaal zelf, maar ook aan het aanleren van de taal die op school wordt gesproken. Overigens vormt moedertaalonderwijs geen belemmering voor de schoolprestaties in de nieuwe taal. Een wetenschapper die veel onderzoek heeft gedaan naar de gevol-gen van meertaligheid voor kinderen, is de Canadees Jim Cummins. Hij vergelijkt eentaligheid met fietsen op een eenwieler, waarmee je van A naar B kunt komen. Als de ene taal niet goed ontwikkeld is en de andere taal wel, is dat vergelijkbaar met fietsen op een fiets van vroeger met een groot voorwiel en een klein achterwiel. Daar-mee kun je verder en sneller dan met de eenwieler. Als beide talen goed ontwikkeld zijn, vergelijkt Cummins het met fietsen op een fiets met twee even grote wielen. Daarmee kom je snel en gemakke-lijk waarheen je maar wilt.De moedertaal van kinderen is echter fragiel. Kinderen verliezen hun moedertaal snel op het moment dat ze naar school gaan, zelfs als de moedertaal thuis gesproken wordt. Aan de ene kant komt dit doordat er minder taalaanbod in de moedertaal is, en aan de andere kant doordat op school academisch (abstract en taalkundig ingewikkelder) taalgebruik geleerd wordt. De school vraagt veel van de taalvaardigheid, omdat kinderen daar kennis verwerven over ab-stracte onderwerpen, zoals aardrijkskunde, biologie en geschiedenis. Over deze onderwerpen wordt thuis niet of nauwelijks gesproken. Daarnaast zijn er schriftelijke vaardigheden als spellen die je op school leert. Thuis leer je niet wanneer je ‘leiden’ of ‘lijden’ moet

    Nederlanders zijn van oudsher een volk dat over de grenzen kijkt. Ook vandaag de dag wonen en werken

    Nederlanders over de hele wereld. Hun kinderen groeien op in een meertalige omgeving en volgen vaak

    onderwijs in een andere taal. De uitdaging is om − ondergedompeld in deze andere taal − het Nederlands

    toch goed bij te houden. Dat is handig bij terugkeer naar Nederland, maar ook van groot belang voor de

    culturele identiteit van een kind.

    Nederlands bijhouden in een andere taalomgeving

    Ik ben op zoek voor mijn sleutels

  • 9De kracht van meertaligheid

    je bij een groep, met aangeleerde normen en waarden die bij die groep horen. Het niet meer kunnen (of mogen) spreken van je moedertaal, is dan ook een afwijzing van de identiteit van kin-deren. Kinderen die net naar het buitenland zijn verhuisd en de taal van het nieuwe land nauwelijks spreken, voelen een grote geborgenheid en veiligheid in de Nederlandse les. Daar kun-nen ze eindelijk zeggen wat ze bedoelen, en de leerkracht en de andere leerlingen begrijpen ook wat de leerling zegt. Kinderen horen bij de Nederlandse groep. De moedertaal is een link tussen generaties en culturele waar-den van de groep. Ze is een symbool van culturele trots en familie cohesie. Zoals een Nederlandse ouder in het buitenland het formuleert: “(…) wat mijn dochter en ik met voldoening constateerden is dat Nederlands een uitstekende geheimtaal is, mits je niet toevallig op dat moment in Nederland bent.” Taalverschuiving of zelfs taalverlies kan leiden tot onbegrip en misverstanden tussen generaties op sociaal, cultureel en lingu-istisch gebied. Het heeft een negatief effect op familie relaties als kinderen en volwassenen verschillende talen spreken. Er zijn voorbeelden van kinderen die hun moedertaal niet meer be-heersten en daardoor niet meer met familie konden praten. Het mag duidelijk zijn dat dit grote problemen veroorzaakt.

    Tekst: Everdiene Geerling

    Everdiene Geerling werkt als onderwijsadviseur bij Stichting Nederlands

    Onderwijs in het Buitenland (NOB) en doet promotieonderzoek naar

    moedertaal bij kinderen. NOB ondersteunt en adviseert Nederlandse

    scholen in het buitenland in opdracht van het Ministerie van OCW. De

    Onderwijsinspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs in

    het buitenland. Tot en met 2013 werden de scholen financieel gesteund

    door de Nederlandse overheid. Vanaf 2014 krijgen scholen in het

    buitenland geen subsidie meer, maar ze worden nog wel ondersteund

    door NOB.

    schrijven. Dit onderstreept het belang van Nederlands onderwijs in het buitenland.De Nederlandse cultuur bijhouden klinkt eenvoudiger dan het is. Dat begint al met de vraag: wat is cultuur? Waarschijnlijk legt iedereen in het antwoord andere accenten. De cultuur van een land valt uiteen in een paar noemers. Ten eerste zijn er de aardrijkskundige en geschiedkundige feiten van een land: de Nederlandkunde. Een tweede aspect van cultuur is het culturele erfgoed: de hoogtepunten op het gebied van de kunsten. Voor kinderen en jongeren is het meest aansprekende deel van de Nederlandse cultuur misschien wel de cultuur van de jeugd: kleding, muziek, stijlen, school en clubs.

    Direct of onbeleefd?De sociale omgangsvormen, de normen en waarden die een cultuur mede bepalen, komen tot uitdrukking in de taal. Je kunt heel goed weten wat pepernoten, je schoen zetten en pakjesavond zijn, maar als je als kind geen Sinterklaasfeest hebt gevierd, zullen deze woorden altijd een andere betekenis houden en blijft Sinterklaas een verklede man. Als je een vraag stelt aan een Chinees en hij weet het antwoord niet, verwacht dan niet dat hij dat tegen je zegt. Nederlanders vinden dat onbegrijpelijk en zijn van mening dat het alleen voor misver-standen zorgt. In andere landen vindt men diezelfde directheid onbeleefd. Nederlanders hebben minder woorden nodig om iets te vragen en doen dat vaak in de gebiedende wijs, bijvoorbeeld: ‘Doe het raam eens dicht.’ Zeg je dit op dezelfde manier in het Engels, dan klinkt het onbeleefd. Dat is niet de bedoeling, maar Engelsen ergeren zich er wel aan. De directheid van de Neder-lander vinden wijzelf verhelderend, maar anderen ervaren die als onbeleefd. Het zijn allemaal cultureel bepaalde verschillen die tot irritatie kunnen leiden. Taal dient niet alleen om te communiceren, ze geeft ons ook een sociale en culturele identiteit. Door je eigen taal te spreken hoor

  • 10 De kracht van meertaligheid

    “Als ik bij de schoolafsluiting zie hoe goed onze leerlingen presteren op het gebied van Chinese taal en cultuur,

    elk jaar weer, dan ben ik heel blij en vergeet ik de moeilijke momenten. Want die zijn er ook.” David Wan,

    voorzitter van de Stichting Haagse Chinese School, vertelt over het ontstaan en de doelstellingen.

    Een generatie die vloeiend is in Nederlands en Chinees

  • 11De kracht van meertaligheid

    De Stichting Haagse Chinese School werd in 1977 op-gericht door de Chinese Kerk in Den Haag. Deze kerk, in een herenhuis aan de Paulus Potterstraat gevestigd, had een echte ontmoetingsfunctie. Op zondag waren er kerkdiensten en op zaterdag volgden Chinese moeders er Nederlandse taalles. Omdat de moeders hun kinde-ren meebrachten naar deze lessen, dacht de organisatie: waarom gaan we die rondrennende Chinese kinderen geen les geven in de Chinese taal en cultuur? Zo snijdt het mes aan twee kanten. Chinese moeders leren Neder-lands, en voor hun in Nederland opgroeiende kinderen blijft de Chinese taal en cultuur levend. Bovendien zou zo

    een generatie kinderen ontstaan die vloeiend Nederlands én Chinees sprak. “Dat is ook heel belangrijk vanwege de groeiende handelsbetrekkingen tussen Nederland en China”, meent David Wan, in het dagelijkse leven ondernemer.De lessen in de Chinese taal en cultuur bleken een enorm succes. Toen in 1980 het gebouw aan de Potterstraat te krap geworden was, kreeg de stichting toestemming om een schoolgebouw te huren. Er was nu zo veel ruimte dat men ook nog Nederlandse taalles kon gaan geven aan Chinese nieuw- en oudkomers. Anno 2013 is het de grootste Chinese school in Den Haag. Circa 260 leerlin-gen, jonge én oudere, volgen er lessen in taal en cultuur van hun land van herkomst. Daarnaast krijgen ongeveer honderd volwassenen Nederlandse taalles op de school.

    Hoogopgeleide vrijwilligersNog altijd zijn de lessen Chinese taal en cultuur op zaterdag, elke week. Het programma begint om half elf en duurt tot half drie. In de ochtend krijgen de kinderen taalles. Na de middagpauze zijn de culturele vakken aan de beurt: volksdansen, kungfu, kalligrafie. David Wan: “Waarin wij ons onderscheiden van andere Chinese scho-len in Den Haag, zijn de activiteiten die wij daarnáást aanbieden. Ouders van leerlingen kunnen hier bijvoor-beeld hun Nederlands verbeteren. Niet-Chinezen zijn welkom om Mandarijn te leren, op beginnend of zakelijk niveau. En studenten uit China kunnen zich hier de basis-beginselen van het Nederlands eigen maken.” Sinds kort verzorgt de school op verzoek van ouders ook huiswerk-begeleiding voor kinderen die Chinese les volgen. Niet dat ze dat echt nodig hebben, zegt Wan. “Het is meer omdat de meeste Chinezen graag vooraan lopen met onderwijs-prestaties.”

    Creativiteit gebruikenDe lessen worden gegeven door hoogopgeleide vrijwil-ligers – van de 17 zijn er 15 academisch geschoold. Het gaat voornamelijk om vrouwen. Sommigen combineren het vrijwilligerswerk met een betaalde baan, maar de meesten zijn huisvrouw. Ze krijgen een symbolisch, gering bedrag bij wijze van reisvergoeding. David Wan is zeer te spreken over de vrijwillige en onbaatzuchtige inzet bij de stichting, zowel van de docenten als van de bestuursleden. “Dankzij hen konden in de loop der jaren veel kinderen de Chinese taal en cultuur leren.”Alle leerlingen van de school betalen lesgeld. Daarnaast ontvangt de stichting giften en donaties van allerlei Chinese organisaties en verenigingen. Maar met die inkomsten kunnen alleen de huur van het schoolgebouw, het lesmateriaal en andere bijkomende uitgaven bekostigd worden. Hoewel de financiële situatie van de Stichting Chinese School dus niet geweldig is, ervaart voorzitter Wan niet zo veel problemen bij het in stand houden van de school. “We komen gemakkelijk aan nieuwe leerlingen. Verder gebruiken we onze creativiteit om aanvullende financiën te vergaren voor de school − en ik vind dat dit tot nu toe aardig is gelukt.”

    Tekst met medewerking van Judith Ferrier van FORUM

  • 12 De kracht van meertaligheid

    Mensen die een verschillende taal spreken, kunnen elkaar vaak redelijk tot goed verstaan. Op meertalige

    scholen kan ‘luistertaal’ een belangrijk hulpmiddel zijn voor kinderen met een anderstalige achtergrond die

    Nederlands willen leren. Een gesprek met dr. Jan ten Thije die zich bezighoudt met interculturele communicatie.

    Mogelijkheden nog te weinig gebruikt

    Luistertaal kan anderstalige kinderen helpen

    Ook al praten mensen in verschillende talen, ze kunnen elkaar meestal goed verstaan als die talen dicht bij elkaar liggen. Het Nederlands en Duits kennen veel woorden en constructies die in beide talen vrijwel hetzelfde zijn, of die grote verwantschap kennen: Buch-boek, Vater-vader, Auto-auto, Baum-boom. Nederlanders kunnen dan ook betrekke-lijk gemakkelijk in hun eigen taal met Duitstaligen com-municeren. Daar hoeft normaal gesproken geen tolk aan te pas te komen. Als je een taal beter verstaat dan dat je hem spreekt, kun je hem als ‘luistertaal’ inzetten.Interculturele communicatie is het vakgebied van dr. Jan ten Thije (1955), verbonden aan de Universiteit Utrecht. Hij vraagt zich als onderzoeker af: wat moeten we weten en kunnen om mensen te begrijpen met wie we niet in dezelfde taal kunnen communiceren? De Europese Unie zet al jaren in op het leren van de moedertaal, met daarnaast een lingua franca – meestal Engels − en het goed beheersen van een derde taal, liefst uit een buurland. Terwijl je je vol-gens Ten Thije beter eerst kunt afvragen: wat moet je weten en kunnen om jezelf verstaanbaar te maken en om anderen te verstaan? Een taal die je gedurende je hele jeugd gehoord hebt, spreek je misschien niet perfect maar je verstaat hem wel goed. Als je alle energie richt op het verstaan van die taal en zelf je moedertaal spreekt, verlies je de angst om fou-ten te maken. Het rendement zou daardoor weleens groter kunnen zijn dan wanneer je probeert om jezelf verstaanbaar te maken in de taal die je actief niet goed beheerst, aldus Ten Thije.Als we ons zouden richten op mogelijkheden om met anderen te communiceren in plaats van talen zo perfect mogelijk proberen te leren, schrijven, lezen en verstaan, gaan er werelden voor ons open. Een Roemeen kan Frans als luistertaal inzetten, terwijl de Fransman het Engels van de Roemeen als luistertaal gebruikt. Lastiger wordt het als iemand maar één taal goed beheerst en die ligt ver af van de moedertaal van degene met wie hij wil communiceren. Arabisch of Turks zijn niet snel luistertalen voor mensen die Nederlands als moedertaal hebben. Daarvoor weten ze simpelweg te weinig van die talen, ze vinden er geen hou-vast in. Maar binnen de eigen gemeenschap kan luistertaal wel een rol spelen. Kinderen van de derde generatie spreken het Turks, Berber of Arabisch vaak niet meer goed, maar ze kunnen het wel goed verstaan. Het gebruik van luistertaal is zo een vorm van taalbehoud van het Arabisch en Turks in Nederland. Voor hun contact met opa en oma die het

    Nederlands niet perfect spreken maar wel goed verstaan, kan luistertaal een uitkomst zijn.

    Nog te weinig gebruiktEr is nog een andere toepassing mogelijk, zegt Jan ten Thije: “Als je een taal eerst alleen als luistertaal leert gebruiken, is de stap naar productief gebruik relatief makkelijk te zetten, zeker als je gemotiveerd bent. Veel mensen leren een derde taal via een taal die ze al beheersen: Italiaans of Spaans via Frans, of Portugees via Spaans.” Hier maakt de taalonder-zoeker een sprong naar het onderwijs: “In het onderwijs wordt nog te weinig van deze leerweg gebruik gemaakt. Vaak wordt bij het leren van een nieuwe taal gedaan alsof de leerling bij nul moet beginnen. In het geval van kinde-ren met een Turkse of Arabische achtergrond zou het al heel wat schelen als er op elke school enkele leerkrachten waren die Turks of Arabisch zouden verstaan, op het niveau van luistertaal. Het is leuk als je leraar je verstaat, ook al kan hij niet veel terugzeggen in het Arabisch. Het bevordert het on-derlinge contact, je voelt je als kind niet dom maar iemand die iets extra’s kan.”

    Waardering voor moedertaalNatuurlijk kun je niet van iedere leerkracht verwachten dat hij alle talen van alle leerlingen spreekt, benadrukt Ten Thije. “Maar we zitten nu nog te vaak gevangen in de ideologie dat iedereen op het schoolplein Nederlands moet spreken. Vaak vanuit de angst dat je de kinderen niet kunt verstaan als ze andere talen spreken. Nou, zorg dan dat een enkele leerkracht binnen de schoolgemeenschap ze wél kan verstaan! Ook in het contact met ouders kan luistertaal een extra communicatiemogelijkheid bieden. Er is hier nog geen onderzoek naar gedaan, maar ik vermoed dat een aan-tal scholen al op deze manier werkt. Het begrip luistertaal maakt deze aanpak beter bespreekbaar.”Meer aandacht voor alle mogelijkheden van luistertaal is belangrijk voor de ontwikkeling van de moedertaal én voor het uiteindelijk goed leren beheersen van het Nederlands, meent Ten Thije. “Ik denk niet dat we terug moeten naar de tijd van OETC of OALT, toen kinderen onder lestijd onder-wijs in eigen taal en cultuur kregen. Maar er mag wel meer waardering komen voor de moedertaal van kinderen met een anderstalige achtergrond. Als leerkrachten problemen hebben in de communicatie met deze kinderen, zien ze soms geen andere mogelijkheid dan te zeggen dat een kind

  • 13De kracht van meertaligheid

    mogelijk Nederlands leren is niet de enige en zelfs niet de beste weg. Kinderen kunnen beter eerst hun moedertaal goed leren en daarmee de cognitieve ontwikkeling op gang brengen, voordat ze op school het Nederlands als tweede taal leren. Zo wordt hun tweetaligheid gewaar-deerd. Er is geen empirische basis die een succesvolle taalverwerving garandeert als je kinderen op zo jonge leeftijd dwingt Nederlands te leren. Dat laat natuurlijk onver-let dat die kinderen vroeg of laat Nederlands moeten leren, maar niet per se op jonge leeftijd.”Ten Thije woonde vier jaar met zijn gezin in Duitsland. Zijn drie kin-deren waren bij aankomst negen, zes en een halfjaar oud. De oudste had in Nederland leren lezen en schrijven, de middelste zat midden in dat proces en de jongste groeide vanaf de crèche tweetalig op. “De oudste was aanvankelijk heel stil in de klas, maar leerde daarna perfect Duits. Hij haalde op de Duitse mid-delbare school goede cijfers voor de schooltaal. Bij de middelste zagen we meer interferentiefouten toen hij overstapte naar een Duitstalige school. Zijn cognitieve ontwikke-ling, verbonden met het Nederlands lezen en schrijven, was nog niet afgerond. Hij moest in het Duits als het ware opnieuw beginnen. Het is hem uiteindelijk ook gelukt en hij kon in het Duitse vervolgonderwijs ook goed zijn weg vinden. En de jongste had een perfecte tweetalige start. Op de crèche wende hij aan Duits, en thuis spraken we Neder-lands.”

    Talige diversiteit groeitVanuit die Duitse ervaringen kan

    Ten Thije zich goed verplaatsen in de problemen van ouders met een anderstalige achtergrond, van wie de kin-deren op de Nederlandse school zitten. “Het ging bij onze kinderen min of meer vanzelf, maar je zag in verschillende fasen wel verschillende stijlen. En daar zou ik met het taalbeleid ook heen willen: je moet mensen zo opleiden en toerusten dat ze, afhankelijk van de omstandigheden, kunnen beslissen wanneer ze wat inzetten om elkaar te verstaan of zich verstaanbaar te maken. Door de groei-ende mobiliteit in Europa wordt de talige diversiteit in het Nederlandse onderwijs alleen maar groter. Luistertaal is dan één van de mogelijkheden − naast een tweede of vreemde taal spreken, gebarentaal gebruiken of een dure tolk inzetten.”

    Tekst: Will Tinnemans

    dyslectisch is of een gedragsstoornis heeft − terwijl het gewoon twee- of meertalig is. Aandacht voor de ontwik-keling in de eerste taal remt niet het leren van een tweede taal, maar bevordert juist het leren van het Nederlands. Luistertaal zou daarbij een hulpmiddel kunnen zijn. Het kind voelt zich dan ook meer serieus genomen. Natuurlijk is het van belang dat alle kinderen op school goed Neder-lands leren, maar er leiden méér wegen naar Rome.”

    Niet zo jong dwingenIn augustus 2013 maakte de Amsterdamse wethouder van Onderwijs, Pieter Hilhorst, bekend dat hij kinderen vanaf hun tweede jaar naar school wil sturen. Dit onder meer om hun taalachterstand in het Nederlands weg te werken. Ten Thije ziet er niets in: “Dat is in strijd met de uitkomsten van onderzoek naar taalverwerving: zo vroeg

  • 14 De kracht van meertaligheid

    In de jaren tachtig leken Nederlandse dialecten en streektalen uit te sterven. Ouders waren bang dat hun kind

    een achterstand zou oplopen. Onzin, zeggen de Limburgers. “Er is voldoende onderzoek voorhanden waaruit

    blijkt dat dialectsprekende kinderen juist beter zijn in talen én in wiskunde.” In de zuidelijkste provincie bloeien

    de dialecten weer volop, ook op basisscholen.

    1926 opgericht voor de instandhouding en bevordering van de Limburgse dialecten. De winnaars mogen door naar de provinciale kampioenschappen, waar Tooske in 2013 vierde werd in de categorie Groep 7 en 8.In Limburg is geen sprake van een uniforme taal, maar van een verzameling dialecten die per streek en zelfs per plaats kunnen verschillen. Al valt er wel een gemeenschappelijk stramien in te herkennen. In Echt ligt het dialect zelfs op

    “Niemand anders spreekt deze taal, behalve wij in Limburg. Dat vind ik zo leuk aan ons dialect.” De elfjarige Tooske Geurts zegt het in keurig Nederlands, met een Limburgse tongval. Tijdens de declamatiewedstrijd in het voorjaar van 2013 werd ze kampioen van Echt met haar voordracht van het gedicht ‘Waat ein oma!’ (zie pagina 16) Sinds 2002 organiseert de Midden-Limburgse plaats Echt die wedstrijd jaarlijks. Het is een initiatief van de vereniging Veldeke, in

    Vereniging Veldeke houdt streektalen in Limburg levend

    Kinderen die óók dialect spreken, hebben een voorsprong

  • 15De kracht van meertaligheid

    viert, wordt al twintig jaar Engelse les gegeven in groep 7 en 8. Sinds kort kunnen liefhebbers in groep 5 tot en met 8 buiten schooltijd ook Franse les volgen. De belangstelling is overweldigend: maar liefst veertig kinderen volgen de les-sen van de 62-jarige leerkracht die hier zelf als vierjarige op de kleuterschool begon.

    Ook beter in wiskundeDe 75-jarige Piet Aben vult elk trimester een ‘creatieve mid-dag’ in met dialectactiviteiten, meestal op scholen. Hij was van 1971 tot 1999 zelf hoofd van basisschool Schilberg en is nu actief bij vereniging Veldeke, ‘Kring Ech’. Aben heeft dezelfde ervaringen als Berger: meertaligheid levert geen achterstand op, maar een voorsprong. “Ik heb kinderen van Chinese ouders meegemaakt die geen woord Nederlands spraken als ze op school kwamen… Binnen een paar jaar beheersten ze foutloos het Nederlands én het dialect.” Of de school iets doet met de streektaal hangt sterk af van de leerkracht, is Abens ervaring. “Sommige scholen werken met de methode ‘Dien eige taal…’, andere voelen er minder voor. Maar ook buiten de school om merken we dat dialec-ten in de belangstelling staan. Kijk naar de populariteit van de muziekgroep Rowwen Hèze. In de jaren tachtig werden kinderen steeds vaker uitsluitend Nederlandstalig opge-voed, omdat ouders bang waren dat hun kind een achter-stand zou oplopen. Inmiddels is er voldoende onderzoek voorhanden waaruit blijkt dat kinderen die een dialect als tweede taal beheersen juist beter zijn in talen, en ook nog eens beter in wiskunde. Nu zijn er niet veel kinderen meer die alleen Nederlands spreken. We zeggen er wel altijd bij: het leren van Limburgs mag nooit ten koste gaan van het Nederlands.”

    Oor voor intonatieDe declamatiewedstrijd is een jaarlijks hoogtepunt voor Aben. “Alleen al in Echt doen ruim 200 kinderen van acht basisscholen mee.” Sommige kinderen schrijven hun ge-dicht zelf, maar ze dragen ook wel gedichten voor die zijn geschreven door een van de ouders of grootouders. Mak-kelijk is het niet, foutloos Limburgs schrijven. Maar als het niet lukt, is Piet graag bereid om de helpende hand toe te steken. Voor leerlingen die wel aan de declamatiewedstrijd willen meedoen maar geen gedicht paraat hebben, zijn er bundels met poëzie in het Limburgs. Aben zit ook graag in de wedstrijdjury, samen met leerkrachten én met kinderen. “Kinderen beoordelen de voordrachten anders dan volwas-senen. Ze letten heel goed op of de presentatie ook een beetje leuk is en hebben een goed oor voor intonatie. Ze waarderen het als kinderen een gedicht levendig brengen en met attributen of speciale kleding het podium op komen.”De grote uitdaging voor vereniging Veldeke is om scholie-ren in het voortgezet onderwijs enthousiast te maken voor dialect activiteiten. “We organiseren nu een wedstrijd voor middelbare scholieren. De kinderen die op de basisschool kampioen zijn geworden, kunnen in het voortgezet on-derwijs optreden als ambassadeurs van de declamatiewed-strijd.” Er zijn genoeg jonge liefhebbers van de Limburgse dialecten, maar ze sluiten zich niet aan bij de vereniging Veldeke. “Nóg niet”, zegt Piet Aben uit eigen ervaring. “Jonge mensen hebben het druk met school of werk en gezin. Ik ben ook pas actief geworden bij Veldeke nadat ik met vervroegd pensioen was gegaan.’

    straat, in 31 tegels. Voor de ingang van basisschool Angela ligt de spreuk: Doe lieërs zoa lang, tót alle vingers aeve lank zeen. Letterlijk vertaald: je leert net zo lang tot alle vingers even lang zijn. Maar omdat je vingers nooit allemaal even lang zullen worden, betekent dit spreekwoord dus eigenlijk: je blijft je leven lang leren.

    ‘t Brónsgreun beukskeIn 1997 erkende de Nederlandse regering ‘het’ Limburgs als streektaal, op basis van het Europees Handvest voor de Streektalen. Behoud en ontwikkeling van streektalen is belangrijk voor het Nederlandse erfgoed, vindt de regering. Een streektaal is een graadje minder dan het Fries, dat sinds 1995 officieel als bestuurstaal is erkend. Maar het enthou-siasme is er niet minder om. Het merendeel van de ruim 1,1 miljoen Limburgers beheerst naast het Nederlands een Limburgs dialect. Vrijwel overal worden plaatsnamen bij het begin van de bebouwde kom in het Nederlands én in het plaatselijke dialect weergegeven: Roermond-Remunj, Maastricht-Mestreech, Weert-Wieërt, Echt-Ech. De vereniging Veldeke verzorgt door de hele provincie goed bezochte cur-sussen ‘spreken en schrijven in het dialect’. Alle nieuwkomers in de gemeente Echt-Susteren – ook Ne-derlandstaligen – krijgen in hun welkomstpakket ‘t Bróns-greun beukske. Dat is een handzaam opzoekboekje, tevens schrijfhulp voor iedereen die in het dialect wil schrijven. Voor de basisscholen heeft de educatieve commissie van Veldeke de methode ‘Dien eige taal…’ ontwikkeld. Voor wie geen woord Limburgs spreekt, is er de Nederlandse variant ‘Je eigen taal…’ en voor leerkrachten is er een handleiding. De gemeente Echt-Susteren heeft deze methode gratis be-schikbaar gesteld aan alle basisscholen binnen de gemeen-tegrenzen.

    De streektaal lééftLimburgs is geen folkloristische franje voor carnavalsdagen, de streektaal lééft in deze provincie. Tooske spreekt thuis uitsluitend Limburgs. Dat is bepaald geen uitzondering hier, zegt Leon Berger, hoofd van de katholieke basisschool Angela in Echt, waar Tooske in groep 8 zit. “We krijgen hier heel wat kleuters op school die alleen maar Limburgs spreken. Om ze op hun gemak te stellen, praten de leer-krachten in het dialect met die kinderen. Langzaam maar zeker gaan we dan over op het Nederlands.” Op basisschool Angela worden zelfs de teamvergaderingen in het dialect gehouden, tenzij er een invaller meedoet die het Limburgs niet machtig is.Berger is niet bang dat dialectsprekende kinderen een achterstand oplopen, integendeel: “Meertalige kinderen hebben een voorsprong, dus ook de kinderen die naast het Nederlands een dialect beheersen.” De mijnstreek, waar Echt dicht tegenaan ligt, kent vanouds veel immigranten die als mijnwerker hierheen kwamen. Er wonen niet alleen veel nakomelingen van arbeidsmigranten uit buurlanden België en Duitsland, ook Poolse, Sloveense, Spaanse, Portu-gese, Turkse en Marokkaanse namen komen veelvuldig voor in dit gebied. En sinds de jaren vijftig huisvest Echt een flinke groep Molukkers. “We merken hier op school dat kin-deren met een Portugese of Poolse moeder andere talen veel makkelijker oppikken”, zegt de school directeur. “Ze hebben vaak een uitstekend taalgevoel.”Op basisschool Angela, die in 2015 zijn 150-jarig bestaan

  • In 2013 won Tooske Geurts in Echt-Susteren won de declamatiewedstrijd voor Groep 7 en 8 met dit door haar moeder geschreven en door Piet Aben geredigeerde gedicht. Tooske werd afgevaardigd naar de provinciale kampioenschappen in Panningen en werd daar vierde in haar categorie.

    Waat ein oma!

    Mien oma, det is ‘n sjiekeDao krieg ich altied väöl pieke.Verjaordaag, kirmis, kersmis en nuujjaorDen stuitj ze al gaw mit de beurs klaor.(…)In ‘n road beurske doon ich al mien centeOppe bank krieg ich nog get rente.Eine kieër in ‘t jaor gaon ich get koupeGezellig door Ech op loupe.(…)Op ‘t ènj vanne daag weer nao hoesÓngerwaeges nog gaw ‘n ieske oppe voes.Thoes alles nog èns bekiekeDet rökske nog effe strieke.(…)

    Petra Geurts - Cloosen

    Wat een oma!

    Mijn oma is een heldIk krijg van haar altijd veel geldMet de verjaardag, kermis, Kerstmis en NieuwjaarStaat ze altijd met de beurs klaar(…)In een rood beursje doe ik mijn centenOp de bank krijg ik nog wat renteEén keer per jaar ga ik iets kopenGezellig, beetje door Echt lopen(…)Aan het einde van de dag weer naar huisOnderweg nog vlug een ijsje in de knuistThuis alles nog eens bekijkenHet rokje ook nog even strijken(…)

    Petra Geurts-Cloosen, Vertaling: Will Tinnemans

    16 De kracht van meertaligheid

  • 17De kracht van meertaligheid

    niet gangbaar is en dat in Nederland steeds meer weerstanden oproept. In de CBS-data – en daarvan afgeleid in het publieke en politieke discours – is bovendien een hiërarchische rangorde gangbaar geworden tussen autochtone, westers-allochtone en niet-westers-allochtone bevolkingsgroepen. Het CBS hanteert als defini-tie van autochtoon: een persoon die in Nederland woont en van wie beide ouders in Nederland zijn geboren. En als definitie van allochtoon: een persoon die in Nederland woont en van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Wie zelf in het buitenland is geboren hoort tot de eerste generatie allochtonen, wie in Nederland is geboren tot de tweede.Vergeleken met het gecombineerde geboortelandcriterium, leidt het nationaliteitscriterium tot een zeer opmerkelijke onderschat-ting van de multiculturele samenstelling van de Nederlandse bevolking. Het (gecombineerde) geboortelandcriterium is echter evenmin zonder identificatieproblemen. Gebruikmaking van dit criterium leidt minstens in de volgende gevallen in feite tot non-identificatie:• een in omvang toenemende groep van derde en volgende

    generaties (zoals Chinezen, Molukkers, Turken en Marokkanen in Nederland);

    • verschillende etnisch-culturele groepen uit eenzelfde herkomst-land (zoals Turken en Koerden uit Turkije);

    • eenzelfde etnisch-culturele groep uit verschillende herkomst-landen (zoals Chinezen uit China en Vietnam);

    • etnisch-culturele groepen zonder territoriumstatus (zoals Roma/Sinti);

    • personen die in meer dan één herkomstland hebben gewoond (zoals vluchtelingen).

    Vastgesteld kan worden dat zowel het nationaliteitscriterium als het (gecombineerde) geboortelandcriterium in intergenerationeel opzicht steeds meer aan erosie onderhevig is voor het in kaart brengen van diversiteit. Deze erosie in identificatiemogelijkhe-den vormt geen typisch Nederlands verschijnsel. In landen met een langer immigratieverleden, in het bijzonder in dominant En-gelstalige immigratielanden als Australië, Canada, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, worden om deze reden via periodiek bevolkingsonderzoek gegevens verzameld over zelftoerekening/etniciteit (To which ethnic group do you consider yourself to belong?) en thuistaalgebruik. Dergelijke gegevens worden beschouwd als kernindicatoren voor het lidmaatschap van verschillende etnisch-culturele groepen. Gelet op de afnemende betekenis van nationaliteits- en geboortelandcriteria, vormen de gecom-bineerde criteria van etniciteit en thuistaalgebruik net als elders een onontkoombaar alternatief voor inzicht in de toenemend multiculturele samenstelling van de Nederlandse bevolking.

    1. Kengetallen over diversiteitIn verschillende Europese landen bestaat een levendig publiek en politiek debat over zowel het belang als de kwaliteit van landelijke bevolkingsstatistieken over diversiteit. Voorstanders van dergelijke statistieken argumenteren in termen van maat-schappelijke en wetenschappelijke behoeften, mede met het oog op positieve actie van overheidswege in zulke domeinen als werkgelegenheid, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs of mediabeleid. Tegenstanders argumenteren in termen van de maatschappelijke en wetenschappelijke risico’s van het oneigen-lijk gebruik van dergelijke data voor de stereotypering, stigma-tisering, discriminatie of zelfs verwijdering van de ‘ongewenste ander’. In diversiteitsonderzoek staat dit thema bekend als het etnisch dilemma: hoe kun je discriminatie bestrijden zonder geïnformeerd te zijn over diversiteit?Nationale bevolkingsstatistieken in Europa over diversiteit zijn in menig opzicht onderling onvergelijkbaar. Dat heeft onder meer te maken met intrinsieke verschillen in de aard van dergelijke statistieken. Poulain (2008) maakt onderscheid tussen: • censusdata gebaseerd op landelijk bevolkingsonderzoek met

    vaste intervallen van 5-10 jaar (in 23 van de 27 EU-landen);• registerdata gebaseerd op voortdurend opgewaardeerde

    gemeentelijke en landelijke bevolkingsadministraties (in Scandinavische landen en in Nederland);

    • surveydata gebaseerd op grootschalige periodiek verzamelde gegevens over specifieke bevolkingsgroepen (bijvoorbeeld in Friesland over het Fries).

    Censusdata over de samenstelling van de bevolking zijn in Nederland in de periode 1829-1971 in totaal 14 keer verzameld, met wisselend interval. Na 1971 werd de geplande census van 1981 uitgesteld en uiteindelijk afgelast. Data over geboorteland, nationaliteit en religie zijn in Nederland tot 1971 verzameld op basis van censusvragen. Nadien zijn uitsluitend data over nationaliteit en geboorteland verzameld en wel via de gemeente-lijke bevolkingsadministratie (GBA). Het Centraal Bureau voor de Statistiek is belast met het verzamelen van landelijke informatie op basis van GBA-data die constant worden geactualiseerd en die op de CBS-website kunnen worden geraadpleegd.Het meest traditionele criterium in Nederlandse bevolkingssta-tistieken over diversiteit is het nationaliteitscriterium, op grond waarvan onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders en buitenlanders. Sinds het WRR-rapport Allochtonenbeleid (1989) zijn de begrippen autochtoon en allochtoon gaan behoren tot het standaarddiscours over diversiteit in Nederland en zijn bijna alle demografische kengetallen op deze onderscheidingen gebaseerd. Ze hebben geleid tot een typisch Nederlands jargon van othering (Extra & Spotti 2009: 126) dat buiten Nederland

    Welke talen worden er in Nederland gesproken?Het antwoord op deze vraag kan niet worden losgemaakt van de voorafgaande vraag naar kengetallen

    over diversiteit in een multiculturele samenleving (1). Tegen deze achtergrond worden kengetallen

    gepresenteerd over de distributie (2) en vitaliteit (3) van minderheidstalen in Nederland.

  • 18 De kracht van meertaligheid

    2. Distributie van minderheidstalen in NederlandAutochtone en allochtone minderheidstalen vormen in veel landen van Europa bronnen van respectievelijk oude en nieuwe taalvariatie. Figuur 1 is ontleend aan De Vries e.a. (1994: 171) en geeft een globaal beeld van zowel de distributie als het gebruik van regionale talen/dialecten in Nederland.

    Ofschoon de bronnen van De Vries voor deze kaart in nevelen zijn gehuld, kan Figuur 1 tot tal van overwegingen leiden. Aller-eerst wordt Nederland in deze kaart insulair en gedecontextua-liseerd voorgesteld als alleen in de wereld, zelfs zonder buur-landen. De kaart versterkt daardoor bijvoorbeeld de gangbare opvatting over het Limburgs als dialect van het Nederlands in plaats van als behorend tot een grensoverschrijdend conti-nuüm van het Rijnlands met Keulen als cultureel epicentrum. Het Fries heeft als tweede Rijkstaal van Nederland een speciale positie vergeleken met de andere regionale talen van Nederland, die allemaal als dialecten van het Nederlands door het leven gaan. De kaart laat ook de relatief sterke positie van regionale talen buiten de Randstad zien. Deze talen leiden een vitaler bestaan dan vaak wordt gedacht wat hun communicatieve functies en/of symbolische waarde betreft, ook in termen van identiteitsbeleving. Vooral de witte plekken op de kaart zijn in toenemende mate door een groot spectrum van allochtone thuistalen bevolkt. Dat geldt in het bijzonder voor de vier grootste steden van Nederland. In Den Haag werden in 1999 bij bijna de helft van de basisscholieren thuis naast of in plaats van Nederlands één of meer allochtone talen gesproken (Extra e.a. 2001) en dit aandeel is sindsdien alleen maar toegenomen. In totaal konden in 1999 in Den Haag 87 andere thuistalen dan Nederlands worden getraceerd. Thuistaaldata vormen een uitdaging voor elke monolinguale habitus in een multiculturele samenleving en kunnen funge-ren als actoren van verandering in een reeks van publieke en private domeinen. Vanuit onderwijskundig perspectief blijft het een paradoxaal verschijnsel dat taalpolitiek en taalplan-ning in de multiculturele samenleving vaak vorm krijgen in

    afwezigheid van elementaire kennis en empirische feiten over meertaligheid (zie ook Nortier 2009). Door Extra e.a. (2002) is voor het eerst grootschalig onderzoek gedaan naar de distributie en vitaliteit van andere thuistalen dan Nederlands onder bijna 140.000 scholieren in 13 Nederlandse gemeenten. Een eerste belangrijke uitkomst van deze taalpeilingen is dat bij 32% van de leerlingen in het basisonderwijs en bij 28% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs thuis één of meer allochtone talen worden gebruikt naast of in plaats van Nederlands. Een klein aantal allochtone talen wordt relatief frequent genoemd en een groot aantal allochtone talen relatief infrequent (een bekend verschijnsel in taalkundig onderzoek naar de distributie van respectievelijk functiewoorden en inhoudswoorden dat te boek staat als de Wet van Zipf 1935). In de totale lijst van 96 andere talen dan Nederlands worden 23 talen vaker dan tweehonderd keer genoemd en 13 talen slechts één keer. Figuur 2 biedt een beeld van de 23 meest frequent genoemde thuistalen.

    Het aandeel van deze 23 meest genoemde allochtone thuista-len op het totaal aantal vermeldingen van allochtone thuis-talen bedraagt 96%. Van deze 23 talen hebben er 7 de status van nationale talen van de EU, de overige en dus de meeste talen zijn overwegend van Aziatische of Afrikaanse herkomst. Etnisch-culturele diversiteit in plaats van nationale homogeni-teit komt tot uiting in het verschil tussen Turks en Koerdisch als talen van Turkije, tussen Arabisch en Berbers als talen van Marokko en tussen Hind(ustan)i en Sranan Tongo als talen van Suriname. De toppositie van Arabisch boven Berbers in Figuur 2 kan worden verklaard vanuit een grotere spreiding van herkomstlanden voor Arabisch dan voor Berbers. Voor een uit-voerige bespreking van de status en het gebruik van een groot aantal van de genoemde 23 talen in Nederland wordt verwezen naar Extra & De Ruiter (2001).

    3. Vitaliteit van minderheidstalen in NederlandExtra e.a. (2002) bieden voorts een overzicht van de vitaliteit van de in Figuur 2 genoemde 23 taalgroepen op basis van de volgende vier gerapporteerde taaldimensies:• taalvaardigheid: de mate waarin de desbetreffende taal wordt

    verstaan;• taalkeuze: de mate waarin de desbetreffende taal meestal dan

    wel even vaak als Nederlands wordt gebruikt met de moeder;

    figuur 1. Distributie en gebruik van regionale talen/dialecten in Nederland

    Bijna geen gebruikMatig gebruikFrequent gebruikFriese taalgebied

    figuur 2. Overzicht van de 23 meest frequent genoemde allochtone thuistalen door leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs in 13 gemeenten in Nederland

    Turks 8.686Arabisch 6.755

    Berbers 6.302Engels 5.153

    Hind(ustan)i 5.037Papiamentu 1.572

    Frans 1.534Duits 1.449

    Sranan Tongo 1.426Spaans 1.270

    Chinees 1.062Koerdisch 1.054Somalisch 692

    Italiaans 690Moluks/Maleis 657

    Urdu/Pakistaans 644Portugees 559Servisch/ 534

    Javaans 481Farsi 400

    Vietnamees 335Grieks 278

    Dari/Pashto 2730 2000 4000 6000 8000 10000

    Kroatisch/Bosnisch

  • 19De kracht van meertaligheid

    TaalgroepTaal-vaardig-heid

    Taal-keuze

    Taal -domi-nantie

    Taal- prefer - entie

    TV1

    Maastrichts 95 83 74 74 81

    Turks 97 86 55 48 71

    Dari/Pashto 89 88 59 48 71

    Somalisch 93 88 47 47 69

    Farsi/Urdu/Pakistaans 92 81 50 50 68

    Berbers 94 79 42 41 64

    Chinees 90 78 44 39 63

    Servisch/Kroatisch/ Bosnisch

    90 72 37 43 60

    Arabisch 90 64 38 41 58

    Grieks 92 57 34 40 56

    Koerdisch 86 61 39 36 56

    Vietnamees 85 73 34 32 56

    Papiamentu 86 55 36 44 55

    Portugees 86 54 25 39 51

    Fries 90 43 30 38 50

    Hind(ustan)i 89 43 24 34 47

    Spaans 80 46 21 33 45

    Italiaans 71 34 26 39 43

    Moluks/ Maleis 76 31 16 33 39

    Engels 76 26 18 34 38

    Javaans 72 31 20 25 37

    Sranan Tongo 73 25 13 27 35

    Duits 74 26 15 25 35

    Frans 65 30 14 24 33

    tabel 1. Taalvitaliteit per taalgroep en per taaldimensie bij leerlingen van 4-13 jaar in het basisonderwijs inclusief Fries en Maastrichts (in %, TVI in cumulatieve %)

    taalvitaliteitsindex (TVI) geconstrueerd voor de onderzochte talen. Deze TVI is gebaseerd op de gemiddelde waarden van de gepresenteerde scores voor elk van de vier taaldimensies. Het gaat bij deze TVI per definitie om een arbitraire index, waarbij gekozen dimensies met de gekozen operationaliseringen gelijk worden gewogen. In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de uitkomsten van de analyses voor de top-23 van taalgroepen bij leerlingen van 4-13 jaar in het basisonderwijs in alle deel-nemende gemeenten samen, met inbegrip van de uitkomsten voor het Fries en Maastrichts in respectievelijk Leeuwarden en Maastricht.

    Tabel 1 laat allereerst een ongeëvenaarde vitaliteit van het Maastrichts zien in vergelijking met alle andere talen, inclusief het Fries waarvan de vitaliteit te midden van genoemde alloch-tone talen relatief gering is. Verder is de hoge vitaliteit van het Turks opmerkelijk, vergeleken met die van talen als het Dari/Pashto (Afghanistan), Somalisch of Farsi (Iran). Het Turks heeft in Nederland immers een veel langere migratiegeschiedenis dan de andere talen. Voor de leerlingen van 4–17 jaar zijn de volgende percentages voor geboorte in Nederland vastgesteld in genoemde vier taalgroepen: Turks 78%, Somalisch 36%, Farsi 20% en Dari/Pashto 5%. Ook de hogere vitaliteit van Berbers dan van Arabisch op nagenoeg alle taaldimensies vormt een op-merkelijke uitkomst. Lage gemiddelde waarden worden gecon-stateerd voor de talen waarmee het Nederlands in een koloniale taalcontactsituatie heeft verkeerd: Hind(ustan)i, Moluks/Maleis, Javaans en Sranan Tongo. Papiamentu onttrekt zich in Tabel 1 enigszins aan dit patroon. Lage gemiddelde waarden tekenen zich ook af voor Engels, Duits en Frans, talen die in veel geval-len eerder op een schooltaalstatus dan op een thuistaalstatus kunnen bogen.

    Guus Extra, Universiteit Tilburg

    Prof. dr. Guus Extra is emeritus hoogleraar Taal & Minderheden aan de Faculteit

    Geesteswetenschappen van de Universiteit Tilburg. Van 1998 tot 2008 was hij

    tevens directeur van Babylon, Centre for Studies of the Multicultural Society.

    Op nationaal én Europees niveau is Guus Extra een wetenschappelijke autoriteit op

    het gebied van tweedetaalverwerving, moedertaalgebruik en -verlies bij migranten,

    en ‘meertaligheid en onderwijs’. Voor een overzicht van zijn vele publicaties wordt

    verwezen naar het Repositorium van de Universiteit Tilburg: http://publications.

    uvt.nl/repository/guus.extra/publications.html). Zijn afscheidsrede is te vinden

    op: http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=122055

    Bronnen

    - Broeder, P. & G. Extra (1998), Language, Ethnicity and Education. Case Studies on Immigrant Minority Groups and Immigrant Minority Languages. Clevedon: Multilingual Matters.

    - Extra, G. & J.J. de Ruiter (red.) (2001), Babylon aan de Noordzee. Nieuwe Talen in Nederland. Amsterdam: Bulaaq.- Extra, G. & M. Spotti (2009), Testing regimes for newcomers to the Netherlands. In: G. Extra, M. Spotti & P. Van Avermaet (eds.), Language Testing,

    Migration and Citizenship: Cross-National Perspectives on Integration Regimes. London: Continuum, 125–147.- Extra, G., R. Aarts, T. van der Avoird, P. Broeder & K. Yağmur (2001), Meertaligheid in Den Haag: De Status van Allochtone Talen Thuis en op School.

    Amsterdam: European Cultural Foundation.- Extra, G., R. Aarts, T. van der Avoird, P. Broeder & K. Yağmur (2002), De Andere Talen van Nederland: Thuis en op School. Bussum: Coutinho.- Nortier, J. (2009), Nederland Meertalenland: Feiten, Perspectieven en Meningen over Meertaligheid. Amsterdam: Aksant.- Poulain, M. (2008), European migration statistics: definitions, data and challenges. In: M. Barni & G. Extra (eds.), Mapping Linguistic Diversity in

    Multicultural Contexts. Berlin/New York: Mouton de Gruyter, 43–66.- Vries, J. de, R. Willemyns & P. Burger (1994), Het Verhaal van een Taal. Negen Eeuwen Nederlands. Amsterdam: Prometheus. - WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) (1989), Allochtonenbeleid. Den Haag: Sdu Uitgeverij.- Zipf, G. (1935), The Psychology of Language. Boston: Houghton Mifflin.

    Voor internationaal vergelijkend onderzoek wordt verwezen naar de volgende twee sleutelpublicaties:

    - Extra, G. (2010a). Mapping linguistic diversity in multicultural contexts: demolinguistic perspectives. In: J.A. Fishman & O. Garcia (eds.), Handbook of Language and Ethnic Identity (second edition). Oxford: Oxford University Press, 107-122.

    - Extra, G. & K. Yağmur (eds.) (2004), Urban Multilingualism in Europe: Immigrant Minority Languages at Home and School. Clevedon: Multilingual Matters.

    • taaldominantie: de mate waarin de desbetreffende taal het beste dan wel even goed als Nederlands wordt gesproken;

    • taalpreferentie: de mate waarin de desbetreffende taal het liefste dan wel even graag als Nederlands wordt gesproken.

    Bij de operationalisering van de eerste en tweede dimensie (respectievelijk taalvaardigheid en taalkeuze) is gestreefd naar een maximaal bereik. Bij vergelijkend onderzoek naar de taalvaardigheden verstaan, spreken, lezen en schrijven worden voor verstaanvaardigheid in de literatuur meestal de hoogste scores gerapporteerd. Uit de literatuur komt voorts als algemene trend naar voren dat de moeder meestal fungeert als gate keeper voor taalbehoud (Broeder & Extra 1998: 71). In het verlengde van deze analyses is op basis van genoemde vier dimensies een

  • 20 De kracht van meertaligheid

    van kinderen van laagopgeleide moeders met een depressie trager verloopt. Hechte gemeenschappen, die in Turkije gebruikelijk zijn, kunnen dat voor een deel compenseren. Er komen veel kinderen en volwassenen over de vloer, en die gebruiken weer nieuwe woorden en uitdrukkingen. Het gaat niet alleen om nieuwe woordjes, maar vooral om de beteke-nis van die woorden in de juiste context en met de correcte sociale betekenis. Omgang met anderen bevordert commu-nicatieve vaardigheden, en die zijn weer van grote betekenis voor het sociale functioneren van mensen.”

    Als peuter keek Aylin Küntay eens met verbazing naar een Duitse man die bij hen thuis op bezoek was. De man sprak geen woord Turks en kon zich daardoor niet verstaanbaar ma-ken. Aylin begreep er niets van: hoe kon een volwassen man nu geen Turks spreken? Ze vertelt de anekdote als antwoord op de vraag waarom ze zich gespecialiseerd heeft in taalont-wikkeling bij kinderen. Taal fascineerde haar al op zeer jonge leeftijd. Als kind las ze alles wat los en vast zat. Ze verslond het negentiende-eeuwse Little Women van Louisa May Alcott even gemakkelijk als uit het Perzisch vertaalde verhalen. Ze vond het prachtig dat boeken haar in een andere wereld kon-den brengen. Als puber verloor ze haar belangstelling voor lezen enigszins. Misschien leidde de drukke omgeving waarin ze opgroeide in Istanbul te veel af. Maar later keerde haar bijzondere belangstelling voor taal terug.Aylins aanleg voor bètavakken bracht haar na de middel-bare school aanvankelijk naar de technische universiteit, maar ze merkte na enkele jaren dat de menselijke kant van de wetenschap haar meer interesseerde dan de techniek. Ze stapte over naar psychologie. “En toen herinnerde ik me mijn belangstelling voor talen.” Ze bracht het tot hoogleraar taal- en communicatieontwikkeling bij jonge kinderen aan de Koç Universiteit in Istanbul. Sinds het voorjaar van 2013 verblijft prof. dr. Aylin Küntay ook geregeld in Nederland. Tot 2015 bezet ze namelijk tevens de Prins Claus Leerstoel waar ze intensief samenwerkt met Nederlandse taalwetenschappers.

    Wat is een stoel?In haar oratie wees Küntay de aanwezigen erop dat de ont-wikkeling van taal- en communicatievaardigheden bij kinde-ren een langdurig en kneedbaar proces is. Op welke leeftijd weten kinderen wat een stoel is? En wanneer kunnen ze een gewone stoel van een kapotte onderscheiden? Welke factoren bepalen dat het ene kind sneller dan het andere begrijpt dat een leerstoel iets anders is dan een keukenstoel? Hoe belang-rijk is de opleiding van de ouders voor taalverwerving? En hoe werkt het leren van een tweede taal op jonge leeftijd? Op dat soort vragen zoekt Aylin Küntay antwoorden, door heel veel met kinderen om te gaan, individueel en in gezins-verband.Tot nu toe heeft ze zich vooral op de kinderen gericht, maar in de toekomst wil ze ook meer te weten komen over de ouders. “Nu al is bekend dat bijvoorbeeld de taalontwikkeling

    Taalverwerving en de ontwikkeling van communicatieve vaardigheden zijn cruciaal voor een succesvolle

    deelname aan de maatschappij. Maar hoe die processen precies in hun werk gaan, daar weten we nog lang niet

    genoeg over. Met haar onderzoek naar taalontwikkeling bij jonge kinderen wil prof. dr. Aylin Küntay de kloof

    versmallen tussen kansarme en kansrijke kinderen.

    Houder Prins Claus Leerstoel doet onderzoek bij jonge kinderen

    Goede taalontwikkeling cruciaal voor sociale participatie

  • 21De kracht van meertaligheid

    Kortom: vragen over taalverwerving zijn volgens prof. Küntay zeer relevant. “Mensen bouwen in hun latere ontwikkeling voort op de fundamenten die in de eerste jaren gelegd zijn. Het bevordert de ontwikkeling op latere leeftijd als je al jong in aanraking komt met meer talen en culturen.” In Turkije is het leren van meerdere talen op jonge leeftijd nog niet wijd verbreid. “Kinderen leren wel Engels, maar de resultaten zijn niet zo goed. Waarschijnlijk omdat de leraren niet gekwalifi-ceerd zijn. Maar er is hoop. De Turkse overheid heeft de leeftijd waarop kinderen naar school gaan onlangs teruggebracht van zesenhalf naar vijfenhalf jaar. Ook op latere leeftijd kun je nog talen leren, maar het is wel gemakkelijker als je ermee op-groeit. Niet alleen omdat je als kind sneller leert, maar een zes-tienjarige heeft nu eenmaal vaak heel andere dingen te doen dan talen leren. Het werkt alleen als de leeromgeving optimaal is. Je moet natuurlijk goede docenten hebben. En je moet gestimuleerd worden door de mensen in je omgeving, zowel op school als thuis. Ook moeten er genoeg goede leermiddelen voorhanden zijn.”

    Minder besef van verschillenTurkse kinderen hebben volgens de professor minder vanzelf-sprekend een besef van taalverschillen. Dit komt doordat Turkije weinig uitgesproken dialecten kent, terwijl het er in Nederland van wemelt. Er is wel een aanzienlijke groep Koerden, die een taal uit een heel andere taalgroep spreken en die juist wel veel dialecten kennen. Onlangs heeft de Turkse regering de Koerdi-sche taal en cultuur enigszins uit het verdomhoekje gehaald. Koerden mogen nu hun taal op privéscholen onderwijzen.

    Professor Küntay ziet een toename van het aantal kinderen in Turkije dat een vreemde taal leert. Vaak kiezen ze naast hun moedertaal een westerse taal, Russisch of Chinees. Om een taal echt goed te leren, moet je vaak wel op een privéschool zijn. Dat kan niet elk Turks gezin betalen. In Nederland leren kinderen van Turkse migranten uiteraard Nederlands. Het is volgens haar niet echt een probleem dat ze daar vaak pas op vierjarige leeftijd mee beginnen. “Ze leren makkelijk twee talen naast elkaar. In de periode dat ze voor het eerst intensief met Nederlands in aanraking komen, besteden ze wat minder aandacht aan het Turks en omgekeerd. Er is een permanente wisselwerking, als je meerdere talen naast elkaar leert.”Over de taalvaardigheid in Nederland is Küntay zeer te spreken. ”Nederland doet het in internationale vergelijkin-gen erg goed in de beheersing van vreemde talen. Het is een klein land, dat sterk internationaal georiënteerd is. Ik ken de academische situatie in Turkije, de Verenigde Staten en in Nederland. In de VS heeft psycholinguïstiek, studie van de processen achter taalgedrag, niet echt status. Er wordt tegenwoordig wel iets meer waarde aan gehecht, vanwege de uitgebreide Spaanstalige gemeenschappen, maar het is niet te vergelijken met Nederland. Hier hebben taalpsychologen echt aanzien en een positie. In Turkije neemt de belangstelling ook toe, omdat het land zich de laatste jaren internationaler positioneert.”Maar Nederland is nog lang niet tevreden. Staatssecretaris Dekker van Onderwijs pleitte in de zomer van 2013 voor vreemdetalenonderwijs aan vierjarigen. “Het gáát al zo goed hier”, zegt Küntay. “En als je op die leeftijd veel tijd stopt in het leren van een vreemde taal, kun je die tijd niet investeren in sport en spel of in het leren van andere dingen. Het kan wel weer heel goed werken als je dingen integreert: Engels praten tijdens sportactiviteiten. Contact met leeftijdgenoten is ook van groot belang. Als Nederlandstalige kinderen spelen met Engelstalige kinderen, gaat de taalontwikkeling met sprongen vooruit.”

    Preciezer uitzoekenProf. dr. Aylin Küntay verheugt zich op de komende jaren in Nederland, al moet ze wel veel heen en weer reizen tussen Istanbul en Utrecht. “Maar ook als die twee jaren van de Prins Claus Leerstoel om zijn, zal ik contact houden met de taalwetenschappers in dit land. Het is een prettig klimaat om te werken en onderzoek te doen. En voor ons zijn taalverge-lijkingen een goudmijn. We weten nog zoveel níet. We weten dat taalontwikkeling cruciaal is voor de menselijke intelligen-tie en voor een goede sociale participatie. We weten ook dat kinderen van laagopgeleide ouders en van migranten – die groepen overlappen vaak – een risico lopen in hun taalont-wikkeling. Die factoren zijn voor de taalontwikkeling zelfs belangrijker dan bijvoorbeeld het geheugen. Maar we moeten nog veel preciezer uitzoeken hoe een lage sociaal-economi-sche status van gezinnen de taalverwerving van kinderen en hun communicatieve vaardigheden beïnvloedt, en op welke manieren je dat kunt compenseren. Een combinatie van onderzoeksresultaten uit westerse en niet-westerse landen kan ons helpen dat zo zorgvuldig mogelijk vast te stellen. Met die onderzoeksresultaten kunnen we de kloof tussen kansarme en kansrijke kinderen wellicht wat smaller maken. Ik hoop daar met mijn onderzoek een bijdrage aan te leveren.”

    Tekst: Will Tinnemans

  • 22 De kracht van meertaligheid

    Communicatie heeft in het bedrijfsleven enorm aan gewicht gewonnen. De maatschappij wordt almaar complexer. Om die toenemende complexiteit te kunnen bijbenen, moet je de Nederlandse taal goed machtig zijn, vindt Slagmolen. “Dat geldt bijvoorbeeld ook als je je wilt manifesteren op sociale media zoals Twitter en Facebook. Bij hbo’ers en academisch

    Bij VNO-NCW en MKB Nederland zijn veel kleine bedrijven aangesloten die lokaal of regionaal opereren. Maar er zijn ook grote en middelgrote bedrijven die internationaal handel drijven. Voor de laatste categorie is meertalig personeel van le-vensbelang, zegt Rob Slagmolen, die als secretaris Arbeidsmarkt bij VNO-NCW en MKB Nederland de belangen van onderne-mend Nederland vertegenwoordigt. “Voor een exportland als Nederland is taligheid van groot belang. Meertalig personeel maakt de contacten met het buitenland soepeler. Engels is met voorsprong de internationale handelstaal. Turkssprekende werknemers kunnen ook van betekenis zijn voor bedrijven, want het handelsvolume tussen Turkije en Nederland neemt iets toe. Maar ook Turken en Marokkanen moeten beseffen dat Engels in steeds meer ondernemingen de voertaal is en dat Ne-derland zich in eerste instantie op die vreemde taal oriënteert. Met Engels kun je je op steeds meer plaatsen verstaanbaar maken. Chinezen en Japanners leren ook Engels.”Talen zijn niet alleen handig als communicatiemiddel tussen landen en volkeren, meent Slagmolen: “Via de taal leer je de finesses van een cultuur begrijpen. Je krijgt een genuanceerder beeld van een land, je kunt de boodschappen die een land of volk uitzendt beter doorgronden. En dat is weer van waarde als je handel wilt drijven met dat land.” Maar al is het belangrijk dat werknemers goed Engels en misschien daarnaast nog Duits en Frans beheersen, een grondige kennis van de Nederlandse taal is een noodzakelijke voorwaarde voor vrijwel iedereen die wil werken.

    Eerst en vooral: NederlandsHet is een groot voordeel dat Nederlanders taalgevoelig zijn, dankzij de internationale oriëntatie en de handelsgeest die eeuwen teruggaan. Het geeft dit land een voorsprong bij de toegang tot internationale instituties. “Wij hebben in Brussel geen tolk nodig als we daar gaan overleggen.” Maar we moeten niet de fout maken, zegt Slagmolen, dat alle werknemers meer-talig moeten zijn. “Meertaligheid is belangrijk, maar je moet het wel ín je hebben. Het is niet voor iedereen weggelegd om meerdere talen vloeiend te spreken, te verstaan, te schrijven en te lezen. Het is eerst en vooral van belang dat werknemers het Nederlands goed beheersen. Dat vergroot je kansen op de arbeidsmarkt. En daarnaast kun je je op een tweede taal toe-leggen. Het lijkt mij verstandig als dat Engels is, maar het kan natuurlijk ook een andere taal zijn.’

    Zonder een goede beheersing van de Nederlandse taal heb je weinig kans op de Nederlandse arbeidsmarkt.

    Dat stelt Rob Slagmolen, secretaris Arbeidsmarkt bij VNO-NCW en MKB Nederland, de grootste

    ondernemersorganisatie van het land. Het verdient aanbeveling om daarnaast goed Engels te leren,

    de lingua franca van het internationale bedrijfsleven.

    Laaggeletterden hebben het moeilijk op de arbeidsmarkt

    Ouders moeten investeren in de taalvaardigheid van kinderen

  • 23De kracht van meertaligheid

    opgeleiden zit het meestal wel goed, maar van de jongeren die uitstromen uit het hoogste vmbo-niveau beheerst maar liefst een kwart de Nederlandse taal onvoldoende. Het gaat echt niet alleen om allochtone jongeren, er zitten ook autochtone jongeren tussen die matig zijn in Nederlands. Dat is niet goed. Laaggeletterde werknemers hebben het moeilijker op de arbeidsmarkt. Bovendien kan het op de werkvloer gevaarlijk zijn om de taal niet goed te beheersen. Je moet geschreven richtlijnen en veiligheidsvoorschriften kunnen lezen en goed kunnen communiceren met collega’s en leidinggevenden. In productiefuncties worden steeds hogere eisen gesteld aan de taalvaardigheid van werknemers.”

    Laaggeletterdheid aanpakkenDe werkgeversorganisaties nemen deel aan een convenant dat de Stichting van de Arbeid in 2007 heeft gesloten met de mi-nisteries van Onderwijs en Sociale Zaken. Het doel: laaggelet-terdheid in het bedrijfsleven aan te pakken met voorlichtings-bijeenkomsten en scholing. Het convenant loopt nog tot 2015. Sinds september 2013 biedt de website Taalwerkt.nl van de Stichting Lezen & Schrijven aan werkgevers en werknemers, brancheorganisaties en vakbonden informatie en concrete handreikingen om laaggeletterdheid aan te pakken. “Het gaat om kansen op de arbeidsmarkt, mogelijkheden om door te stromen. Het is in je eigen belang om de taal goed te

    beheersen. Mensen moeten daarom eerst naar zichzelf kijken. Het is wel makkelijk om altijd onmiddellijk naar de overheid te wijzen of naar allerlei instanties die zich lastig kunnen ver-dedigen, want dan hoef je zelf niets te doen. Maar het gaat in eerste instantie om de ouders.”

    Extra lessenDe ouders moeten er volgens Slagmolen van doordrongen zijn dat ze er echt alles aan moeten doen om te zorgen dat hun kinderen goed Nederlands leren. “Leerkrachten kunnen dat niet in hun eentje, ouders moeten het initiatief nemen. Natuurlijk is het belangrijk dat migrantenkinderen de taal van hun ouders leren, al is het maar omdat ze contact moeten kun-nen onderhouden met familie in het thuisland. Maar het mag niet ten koste gaan van de beheersing van het Nederlands. Laat je kind extra lessen nemen als het nodig is, geef het extra ondersteuning, praat thuis Nederlands. Faciliteer die taalvaar-digheid op alle mogelijke manieren, desnoods ten koste van andere dingen, die misschien leuker zijn maar veel minder belangrijk voor de rest van je leven. En er is niets mis mee als ouders dat voor een deel of helemaal zelf moeten betalen. Het is een investering in de toekomst van je kinderen, het helpt ze verder.”

    Tekst: Will Tinnemans

  • Je móet er als leerkracht iets van wetenIn vrijwel alle steden van enig formaat, maar ook op het platteland, schrijven basisscholen elk jaar weer

    nieuwe kinderen in die Nederlands niet als moedertaal hebben. Worden leerkrachten tijdens hun pabo-

    opleiding voldoende toegerust om daarmee om te gaan?

    De kracht van meertaligheid24

    Meertaligheid op pabo’s

  • 25De kracht van meertaligheid

    moedertaal beschikken. Anderstalige ouders moeten volgens die theorie dan ook niet de taal spreken van het land waar ze zich gevestigd hebben, als ze die taal niet goed beheersen. Een rijk en gevarieerd taalaanbod is immers een voorwaarde voor een goede taalontwikkeling. Kinderen kunnen thuis beter de moedertaal goed leren en vanuit die stevige basis op school Nederlands als tweede taal aanleren. Inouk Boerma vindt het van groot belang dat pabo- studenten meertaligheid niet gelijkschakelen met een taalachterstand. Dat gebeurt maar al te vaak, zegt ze. “Het is een heel belang-rijk verschil of kinderen een taalachterstand hebben, of een achterstand in het Nederlands.” Overigens hebben kinderen van Turkse en Marokkaanse ouders vaak niet alleen een ach-terstand in het Nederlands, maar ook een algehele taalachter-stand. Dit heeft te maken met het sociale milieu en de rol die taal speelt in de onderlinge omgang, maar het komt bijvoor-beeld ook doordat er niet de gewoonte is om voor te lezen. Dat verschijnsel mag natuurlijk niet zomaar geprojecteerd worden op álle kinderen met Turkse of Marokkaanse ouders. Als een vijfjarige een grote Turkse woordenschat heeft en de grammaticale regels in die taal perfect toepast, heeft hij geen taalachterstand. Is datzelfde kind pas drie maanden in Nederland en spreekt en hoort het thuis uitsluitend Turks, dan is wel sprake van een achterstand in de Nederlandse taal. De achterstand in het Nederlands kan bij zo’n anders-talig kind aanzienlijk sneller worden weggewerkt dan bij een kind dat een algehele taalachterstand heeft. Als achterstand in de Nederlandse taal verward wordt met een algemene taalachterstand, kan dat leiden tot onderschatting van het leervermogen of het ontwikkelingspeil van een kind − of tot het inzetten van methodieken die geen of te weinig vruchten afwerpen.

    Juist een taalvoorsprong?Ook Anneli Schaufeli vindt het belangrijk dat anderstaligheid of meertaligheid niet verward wordt met taalachterstand. “We zetten ons actief in om het woord ‘taalachterstand’ te nuanceren. We werken bewust aan de beeldvorming van stu-denten en houden ze iedere keer weer voor dat kinderen met een andere taalachtergrond misschien wel een taalvoorsprong hebben: ze kennen immers twee talen. Uit onderzoek is gebleken dat er, in elk geval bij Turkse kinderen, geen sprake is van een taalachterstand. De verschillen die er zijn, hebben veel meer te maken met het milieu en opleidingsniveau van de ouders. Nederlandstalige kinderen uit sociaal-economisch zwakkere milieus hebben een vergelijkbaar taalniveau. Het soort interactie in de thuissituatie is in hoge mate te ver-gelijken. Ook daar wordt niet veel voorgelezen. Als je die Nederlandse groep met taalachterstanden niet noemt, lijkt het alsof de andere taalachtergrond de oorzaak is, terwijl dat niet het geval is.” “Leerkrachten moeten tijdens hun opleiding in aanraking gekomen zijn met dat soort basisprincipes en grondbegrip-pen”, zegt Inouk Boerma. “Onze studenten kunnen zich in de minorfase verder verdiepen in meertaligheid. Niet iedere student doet dat, maar op onze Amsterdamse vestiging ge-beurt dat regelmatig. Als je in de praktijk merkt dat je kennis tekortschiet, kun je altijd nog nascholing gaan doen. Er is een groot aanbod beschikbaar aan nascholing ‘Nederlands als tweede taal’.”

    Tekst: Will Tinnemans

    “In de hoofdstad is 65 procent van de kinderen meertalig. Maar in kleinere plaatsen en op het platteland is dat niet het geval. Het wisselt dus nogal.” Prof. dr. Folkert Kuiken is bijzonder hoogleraar ‘Nederlands als tweede taal’ aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is van Friese herkomst, stu-deerde Frans in Groningen en Algemene Taalwetenschap aan de UvA. “Nu kun je een grondige kennis van meertaligheid en tweedetaalverwerving wel verplicht gaan stellen op pabo’s, maar dat concurreert met muziek en rekenvaard